
Het is nog donker als ik het terrein van het Fushimi Inari Taisha complex in Kyoto, Japan op loop. Dit park is onderdeel van mijn rondreis door Japan. Op een enkele auto na, is het parkeerterrein zo goed als leeg. Voor me doemt een typische Japanse Torii poort op, de eerste van velen op dit terrein. De poort wordt verlicht door lantaarns, als een baken in de duisternis. Als ik onder de poort doorloop zie ik dat alle bouwwerken op dit complex worden verlicht door lantaarns en kaarsen.
Voor me rijst de berg Inari op uit de duisternis. Genietend van de rust en stilte wandel ik langs de prachtig verlichte grote tempels naar de kleinere Tamayama Inari-Sha tempel. Deze tempel ligt naast het beginpunt van de bergwandeling met de duizend poorten. Het eigenlijke doel van mijn bezoek.
Op het pleintje voor de Tamayama Inari-Sha tempel is een oude man aan het vegen. Zijn bewegingen zijn als van een monnik. Hij merkt mij niet op. Een paar minuten blijf ik gefascineerd naar zijn bewegingen kijken. Zijn bewegingen zijn als meditatie. Hij is totaal gefocust op de beweging van de bezem, het geluid op de vloer en het vuil dat samenkomt. De repetitieve aard van zijn vegen werkt rustgevend, vergelijkbaar met een mantra. Als hij opkijkt, maak ik zonder te spreken, een lichte buiging naar hem en loop verder naar de tempel. Achter de berg Inari begint de zon aan haar klim naar de top.
De oranje tempel, volgens de reisgids vermiljoenrood, is een typische Japanse tempel. Hij stond eerst op koninklijke grond voordat hij hierheen verhuisde. De tempel bestaat uit een klein altaar dat wordt omringd door kenmerkende Japanse lampen. Ook zijn er diverse vossenbeelden te zien die volgens de reisgids worden beschouwd als boodschappers van de godheid Inari, de god van rijst, sake en welvaart. Deze kleine tempel is opgedragen aan deze god Inari. Rechts van de tempel staat een grote opvallende vermiljoenrode Torii-poort die het begin markeert van de bergwandeling over het iconische Senbon Torii pad.
Op mijn gemak bekijk ik de oranje tempel. Ik ben alleen, de man is weg. Op het ritselen van de bladeren na, lijkt het stil. Maar als ik heel goed luister, hoor ik in de verte water stromen. In de lampen voor de tempel zie ik de kaarsen branden. De vlammetjes dansen vrolijk op de zuchtjes wind. De lucht ruikt vluchtig naar rozen en citroen. Links naast de tempel zie ik grote struiken met pioenrozen staan. Met hun diep-roze kleur en gele hartjes steken ze fel af tegen het oranje van de tempel. De vogels slapen nog en de krekels hebben hun nachtelijke getjirp gestaakt. Het is alsof de wereld wacht.
Opeens wordt de stilte doorbroken door het gezang van een vogel. Om me heen wordt het muisstil. Zelfs de wind houdt zijn adem in. Alles luistert naar het gezang van deze vogel. Genietend sluit ik mijn ogen en voel de eerste zonnestralen op mijn gezicht. Mijn gedachten komen tot stilstand, alsof er een deken van rust over me wordt gelegd. Ademloos luister ik naar de vogel. Als ik mijn ogen weer open, probeer ik de vogel te vinden. Ik zie hem zitten op de onderste tak van de Tamarinde die rechts naast de tempel staat. Het is een klein vogeltje met bruine en grijze veren, bijna onzichtbaar tussen de bladeren. Maar als hij zijn snavel opendoet, houd de hele wereld haar adem in. Zijn zang is zo zuiver en helder dat het precies klinkt als een hart dat, na lang zoeken, eindelijk rust heeft gevonden. Pas als de vogel klaar is met zijn lied, durf ik mij weer te bewegen. Om me heen wordt de wereld wakker en komt in beweging.
Als ik op mijn gemak om me heen sta te kijken, zie ik een oudere vrouw op de stenen trap naast de tempel zitten. Ze ziet er fragiel uit. Haar ogen zijn gesloten. Volgens mij slaapt ze. De traditionele Geiko-kleding, die ze draagt, is van lang geleden. De kimono die vroeger ijsblauw geweest moet zijn, heeft nu een vaal-grijze kleur. De afbeeldingen op de kimono zijn vervaagd. Alleen aan de binnenkant van de mouwen is nog de originele kleur te zien. De onderkant van de kimono is gerafeld en gescheurd, net zoals de uiteindes van de mouwen. Ook de uiteindes van de obi-jime(1) zijn gerafeld. Haar ooit stralend witte tabi’s(2) zijn vaal en versleten. Van haar zori’s(3) is alle lak verdwenen. Uit haar obi(4) steekt een traditionele waaier. Naast haar ligt een parasol die betere dagen gekend heeft. Haar nu grijze haar is opgestoken in een knot, versierd met roze kersenbloesems. Het ooit wit bepoederde gezicht is ingevallen en grauw. In haar handen houdt ze een houten doosje.
Haar ogen gaan open, als ze merkt dat ik naar haar kijk. Met helder blauwe ogen kijkt ze me aan en wenkt me. Stilletjes ga ik naast haar zitten. “Ik heb op je gewacht,” zegt ze als ik zit. Haar stem klinkt zacht en breekbaar. Perplex kijk ik haar aan. “Hoe wist u dat ik zou komen,” stamel ik. “Ik heb van je gedroomd,” gaat ze verder, alsof het allemaal heel logisch is.
Haar geboortenaam is Niko. “Ik was 8 toen ik hier,” ze wijst naar het pleintje voor de tempel, “verkocht werd door mijn ouders aan moeder Hana. Mijn ouders waren erg arm en waren me liever kwijt. Moeder Hana had het grootste theehuis in Gion Kobu hier in Kyoto. Nadien ben ik hier nooit meer geweest. Ik haat het hier.”
Niko stopt met praten als de serene stilte wordt doorbroken door de eerste buslading schreeuwerige toeristen. Terwijl we wachten tot de stoet voorbij gelopen is, kijk ik om me heen. Hoge bomen omringen de tempel. Maar door de bomen heen zie ik de toppen van de Torii’s en andere tempels. Het complex staat er vol mee. Voor ons opent een oude man zijn souvenirskraampje. Ook hier heeft de commercie toegeslagen. Het kraampje staat vol met wenkende katten en vossenbeeldjes. Naast de trap staat nog een kleine Shinmesha-altaar in dezelfde kleur rood als de Torii’s en tempels op dit complex. Ik ruik een vleugje lavendel voorbij komen.
Als de rust weer is teruggekeerd gaat Niko verder met praten. Er komt een weemoedige blik in haar ogen als ze over haar leven verteld. Door de manier waarop ze het verteld zie ik het allemaal voor me, alsof ik naar een film zit te kijken.
Nadat Niko bij moeder Hana kwam wonen, begon haar opleiding tot geisha. De okiya(5) was in tegenstelling tot het theehuis kaal en onpersoonlijk. De opleiding was hard. Fouten werden bestraft met lijfstraffen. Vrije tijd of tijd om te spelen was er niet. Het was hard werken. Alles stond in teken van de opleiding. Andere bezittingen dan de kleding die ze aanhad, had ze niet. Er waren meerdere meisjes zoals zij. Met z’n zessen sliepen ze in een ruimte. De eerste maanden huilde ze zich elke nacht in slaap. Ze miste haar oma, de enige die altijd lief voor haar was geweest.
“Maar na verloop van de tijd, raakte ik gewend aan de harde routine. Ik leerde onder andere dansen, converseren, de rituelen van de theeceremonie en muziekinstrumenten bespelen. Maar het fijnste vond ik kalligraferen. Het schrijven van verhalen van mensen. Ik was er erg goed in.”
Ze zwijgt als er weer een groep mensen voorbij komt. “Nadat ik mijn opleiding voltooid had, kreeg ik de naam Fumiko Sakka. Mensen kwamen van ver om mij hun verhalen te laten schrijven. Ik kreeg zelfs mijn eigen kamer in de okiya zodat ik rustig kon werken. Daarnaast schreef ik ook eigen verhalen.” Als er een zwerm kraanvogels overvliegt, stopt ze eerbiedig met praten. Beiden volgen we de zwerm in de lucht. In de verte zie ik verschillende vliegers opdoemen.
“Heeft u uw familie nooit meer gezien,” vraag ik zachtjes.
“Mijn ouders heb ik nooit meer gezien. Maar na de eerste paar maanden bij moeder Hana, kwam mijn oma mij regelmatig opzoeken. Ik vertelde haar over mijn passie voor kalligrafie en schrijven. Zij gaf mij toen dit doosje.” Eerbiedig maakt ze het doosje open en haalt er voorzichtig een houten pen uit. Hij lijkt meer op een stuk tak dan op een pen. “Mijn oma vertelde me dat als ik ooit droevig was of ik wanneer mijn gedachten kwijt wilde, ik ze deze met deze pen moest opschrijven. Ik heb er al mijn verhalen mee geschreven.” Op haar wangen glinsteren een paar tranen. Ik leg mijn hand op de hare, deze voelt koud aan.
“Deze pen is al generaties lang in mijn familie en wordt doorgegeven via de dochters.” Ik kijk naar het doosje en de pen in de handen van Niko. Verward vraag ik: “Waarom vertelt u mij dit?” Er komt een glimlach op het gezicht van Niko. Je kan nu goed zien dat ze vroeger erg mooi is geweest en zelfs nu als ze lacht is ze nog steeds mooi. “Aangezien ik geen kinderen heb, geef ik deze pen aan jou. Zoals gezegd heb ik vaak over jou gedroomd. Jij gaat met deze pen ooit mijn verhaal schrijven en ook nog vele andere verhalen,” zegt ze als ze de pen respectvol terug in het doosje legt. “Hoe weet u dat,” weet ik nog fluisterend uit te brengen.
“Omdat jij en ik hetzelfde zijn.”
Niko staat op, legt het doosje op mijn schoot en pakt mijn gezicht met beide handen beet. Zachtjes kust ze moederlijk mijn voorhoofd. “Zie ik u ooit nog,” vraag ik zachtjes. Ze geeft geen antwoord. Na nog een knikje loopt ze richting de uitgang van het complex zonder een blik op de tempel te werpen. Ik volg haar met mijn ogen totdat ze verdwenen is in de menigte. Naast me staren de vossenbeelden me verwachtingsvol aan.
Voorzichtig open ik het doosje en haal de houten pen eruit. Ondanks dat hij er fragiel uitziet, voelt hij stevig aan in mijn hand. Vertrouwd, alsof ik er al jaren mee schrijf. “Is alles in orde,” hoor ik een stem vragen. Tranen rollen over mijn wangen. Naast me kijkt een vrouw me ongerust aan. Met de mouw van mijn shirt veeg ik de tranen van mijn wangen. Lachend kijk ik haar aan en zeg: “Ja, alles is goed.”
Nadat een volgende groep toeristen met hun gids voorbij gelopen is, sta ik op. Met het doosje plechtig in mijn handen begin ik aan mijn tocht de Inari berg op. Ik volg het pad met de duizend Torii’s, op zoek naar rust, verlichting en een beetje inspiratie.
1 smal koord wat om de brede tailleband (obi) is geknoopt
2 geknoopte sokken met gespleten teen
3 lage japanse lak “teenslippers”; sandalen
4 brede tailleband die om de buitenkant van de kimono is gewikkeld
5 geisha“woon”huis